Een verhuurder vond dat de wettelijke waarderingsmethode voor de inkomstenbelasting leidde tot een veel te hoge waarde van zijn woningen en startte een procedure. De hoogste rechter was het met hem eens. De wettelijke methode vervalt als blijkt dat die leidt tot een waarde die ten minste 10% hoger is dan de werkelijke waarde in verhuurde staat. De verhuurder heeft nu de kans om dat waardeverschil van ten minste 10% aannemelijk te maken. In deze uitspraak geeft de hoogste rechter ook een algemene vingerwijzing over de heffing van belasting op inkomsten uit vermogen. Die belasting wordt niet geheven over de werkelijke inkomsten, maar op basis van een fictief rendement van 4% over de waarde per 1 januari. Daarover wordt 30% inkomstenbelasting geheven. De Hoge Raad zegt hierover dat dit stelsel strijdig is met het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. Met deze vingerwijzing lijken de kansen van andere particulieren toegenomen als ze, tot behoud van rechten, in bezwaar komen tegen de heffing op vermogen. De bewijslast is echter fors en een garantie op succes is er natuurlijk niet. Inmiddels is er een lagere rechter die vindt dat 4% als gemiddeld rendement over de afgelopen jaren best haalbaar was. Het wachten is op andere uitspraken.

photo credit: via photopin (license)